‘Hopelijk kan dit rapport de aanzet of de voetbal zijn om alle partijen uit de loopgraven te lokken voor het samenspel dat onderwijs heet’, schreef Philip Brinckman, voorzitter van de Commissie Beter Onderwijs (oktober 2021). Drie jaar later zijn onderhandelaars van N-VA, Vooruit en cd&v tot een overeenkomst gekomen die rekening houdt met aanbevelingen uit o.a. bovengenoemd rapport en het Rapport van de Commissie van Wijzen (december 2023). Er is ook duidelijk gekozen voor continuïteit met het vorige regeerakkoord (2019), afgesloten door N-VA, cd&v en Open Vld. Daarmee lijkt een grote groep politici nu min of meer op dezelfde lijn te zitten, toch wat onderwijs betreft.
‘We geven onze schoolbesturen, directies en leerkrachten het vertrouwen dat ze verdienen, binnen het kader van de vrijheid van onderwijs. We ondersteunen hen maximaal en verminderen de planlast samen met de verschillende onderwijsactoren, zodat ze zich kunnen concentreren op wat echt telt: lesgeven’, lezen we op blz. 125 van het recente regeerakkoord.
De onderhandelende partijen hebben er voor gekozen om enkele grijze, ontscholende onderwijsdogma’s verder los te laten. Scholen, leerkrachten, CLB’s, begeleiders, onderwijsinspectie, leermiddelenontwikkelaars en lerarenopleiders blijven daar soms nog mee worstelen.
Zo blijft de kunstmatige tegenstelling tussen excellentie en welbevinden regelmatig de kop opsteken. Gelukkig wordt nu meer dan vroeger ingezien dat die twee begrippen kunnen samengaan. Het akkoord roept daarom op om in te zetten op kennisrijke curricula, en daar wordt nogmaals tijd en ruimte voor geboden. De ontwikkeling van cognitieve vaardigheden en intelligentie, of lezen, rekenen en denken, zijn voor eerlijke kansen immers erg belangrijk, voor elke leerling. Eerst lezen en tellen, voor ’t schoentje gaat knellen, ook in de 21e eeuw.
Verder wordt gelijkwaardigheid soms verward met gelijkheid. Tijdens de voorbije decennia kwam dit nog meer voor. Het secundair onderwijs werd daarbij geduwd in de richting van een soort eenheidstype of brede eerste graad, wat vaak een ASO-isering inhield van het technisch en beroepsonderwijs. Gelukkig heeft Vlaanderen toch een sterke traditie in kwaliteitsvol technisch en beroepsonderwijs weten te behouden, hoewel er de voorbije decennia niet altijd hoffelijk over werd geschreven en gesproken. Een val waarin bijvoorbeeld nog regelmatig wordt getrapt, is het (onbewust) overnemen van de niet zo onschuldige term ‘waterval’, een begrip waarbij immers duidelijk is welke waardering soms wordt gegeven aan dit onderwijs. Het technisch en beroepsonderwijs neerzetten als derderangsopleidingen is een kaakslag voor veel (oud-)leerlingen, (oud-)leraars en hun scholen. Het regeerakkoord wil daar komaf mee maken.
Taalrelativisme wordt vermeden door het belang van taal, als drager van kennis die in alle vakken wordt aangeleerd, op de voorgrond te plaatsen in het akkoord. Liefde en passie voor taal kunnen hierdoor hopelijk verder zuurstof krijgen. Leerlingen kunnen er maar wel bij varen door ook op die manier prachtige nieuwe werelden te ontdekken en te verkennen.
Effectieve professionalisering wordt gestimuleerd, voor lerarenopleiders, leerkrachten, directies en schoolbesturen. We lezen op blz. 128: ‘We gaan na hoe professionalisering structureel verankerd kan worden in de loopbaan van de leraar, bijvoorbeeld door de toekenning van anciënniteit te koppelen aan bewezen professionalisering.’ Maar … het is geen geheim dat leerkrachten en scholen tot voor kort wel eens werden geduwd in de richting van professionalisering en handleidingen die een beetje gevangen bleven in een dominant academisch onderwijsdenken van veertig jaar geleden. Professionele waakzaamheid blijft op dit vlak nog altijd geboden.

In het reeds vermelde rapport van de Commissie van Wijzen lezen we (blz. 60): ‘Het is illusoir om te denken dat ooit de volledige pedagogische kennis door onderzoek en wetenschappelijke evidence zal kunnen worden gevuld. Het wetenschappelijk onderwijsonderzoek schiet daarvoor zowel kwantitatief als kwalitatief tekort. Zoals elke professie steunt ook het leraarschap op een uitgebreide praktijkkennis die door ervaring wordt verworven en binnen de beroepsgroep wordt overgedragen. Die praktijkkennis is een essentiële en krachtige component van de kennisbasis van de professionaliteit van leraren en het is belangrijk die te erkennen en te waarderen.

In onderwijs zijn meerdere kennissystemen actief en het is niet zo dat alle heil te verwachten is van op wetenschappelijk onderzoek gebaseerde kennis.’ Moedige en wijze woorden … een minister zou het niet beter kunnen uitleggen.
Naast (nieuwe) wetenschappelijke inzichten wordt er inderdaad best rekening gehouden met ervaringen op de werkvloer. Voor leerlingen, scholen en leerkrachten is het verademend vast te stellen dat steeds meer wetenschappers en regeringsonderhandelaars dat ook doen.
Veel succes aan alle actoren in het onderwijs die zich met passie en gezond verstand dagelijks inzetten om leerlingen te doen bloeien en groeien, en op die manier van onschatbare waarde zijn om de onderwijsverwachtingen van onze maatschappij in te lossen.

Plaats een reactie